
Op amper 15 kilometer van de Spaanse grens sloeg de afscheidsblues onbarmhartig toe. Het einde van ons Portugese avontuur naderde veel te snel. Met weemoed in het hart namen we afscheid van ons tijdelijke minidorp: Pieter, Veronique, Erik, Christine en de Nederlander Dirk Leen met zijn onafscheidelijke hond Bessie. Stuk voor stuk boeiende figuren met wie we verhalen, diepe inzichten en waarschijnlijk ook wat geheimen deelden. Gelukkig arriveerde Greet in Faro om samen met mij de Spaanse grens te bestormen. Maar omdat ik Portugal écht nog niet wilde loslaten, gooide ik het op een akkoordje: “Eerst nog een fietstocht naar de Guadiana-rivier?”

Vanaf de Portugese oever zagen we hoe het Spaanse Ayamonte verleidelijk naar ons lag te lonken. Er was geen ontkomen meer aan. De volgende dag startte de motor onherroepelijk richting Spanje.

Mijn allereerste entree in Portugal (november vorig jaar) flitste meteen weer door mijn hoofd. Dat was toen een warm bad van… dikke mist, een apocalyptische file net over de Seixebrug en… non-stop regen. Hoe dramatisch de ontvangst ook leek, de beloning daarna was fenomenaal: gulle Portugezen, woeste golven en kliffen die je deden duizelen. Eenmaal voorbij Faro veranderde de kust al snel in een vredig vlak landschap van schitterende lagunes, zandbanken en geometrische salinas (zoutwinningsbekkens), we vielen van de ene verwondering in de andere…

Dit keer was de grensovergang een compleet ander verhaal. Onder een staalblauwe hemel gleden we over een spectaculaire brug, om daarna te landen op een gitzwarte asfalt-autoweg. Drie keer breder dan de brug, voorzien van strakke, glanzend witte strepen en gigantische rotondes. Het enige wat ontbrak? Auto’s. Europa had hier duidelijk weer eens voor Sinterklaas gespeeld. De leegte was zo akelig dat we dachten dat we op illegaal terrein reden. Pas toen er na een eeuwigheid één eenzame tegenligger opdook, durfden we weer adem te halen.
Onze coördinaten loodsten ons feilloos naar een nieuwe verrassingsplek: een parkeerplaats pal aan de oceaan, met enkel een leeg strand tussen ons en het water. De verleiding won. Sneller dan het licht flitsten we in onze zwemkleding en lieten ons meewiegen door de Spaanse golven… Tijdens het horizontaal opdrogen op ons strandlaken, ontplofte de telefoon met nieuws van het thuisfront. Net op dat moment vond in Roeselare de officiële receptie plaats voor de bouw van Monoliet, wat de grootste klimhal van West-Vlaanderen zou worden! Een absoluut droomproject van mijn zoon Jov dat nu officieel uit de grond wordt gestampt.
Mijn gedachten schoten meteen terug naar het jaar 2001. Ik was toen net zo oud als Jov nu: 47 jaar. Ik nam loopbaanonderbreking in het onderwijs en verhuisde naar de Ardèche om een oude zijdespinnerij om te toveren tot een vakantie-residentie. Jov was net afgestudeerd en hielp die zomer keihard mee om de verdiepingen te strippen. Zijn klimervaring kwam toen al verdomd goed van pas.
Toen de eerste Franse winter inviel, stond ik er helemaal alleen voor. Het vriezen begon en de bouwers stopten direct. Er sloot geen raam of deur. Mijn slaapplek lag ergens op een tochtige zolder waar ik -puur voor het veiligheidsgevoel- elke avond de toegangsladder omhoog trok. Aan- en uitkleden deed ik strategisch onder de dekens. Mijn enige luxe? Een lauwe douche op het gelijkvloers aan de straatzijde. Ik herinner me nog levendig dat tijdens het douchen plots de elektriciteit uitviel. Daar stond ik dan, in het pikdonker. Op de tast moest ik mijn kleren vinden, om vervolgens twee verdiepingen lager -aan de kant van de rivier- op de bouwwerf op zoek te gaan naar de hoofdschakelaar. Gelukkig bracht de daaropvolgende lente algauw betere tijden…
Vandaag herhaalt de geschiedenis zich, maar dan in een moderne versie. Vanuit mijn bus in Andalusië volg ik alles op de voet. Gelukkig staat Jov er -in tegenstelling tot mijn Franse survival run- niet alleen voor. Hij kan rekenen op politiek enthousiasme en het volledige engagement van zus Nel. Bouwen in eigen land heeft zo overduidelijk zijn voordelen!
Nu is het duimen dat de aannemers hun woord houden en de ruwbouw eind dit jaar winddicht is. Zodra mijn bus in zijn winterslaap aan de Italiaanse grens gaat, reis ik terug naar België.
Tijd om het Jo-An-Ne team te versterken en de handen uit de mouwen te steken!


Geef een reactie